Gesprek tussen Hoofd en Hart


Gesprek tussen Hoofd en Hart

“Waarom heb je me achter een schild geplaatst?” vroeg het hart.
“Voor je eigen bestwil” antwoordde het hoofd.

“Hoe dat zo?” vroeg het hart
“Het schild zal je beschermen tegen pijn” zei het hoofd.

“Weet je dat zeker?” vroeg het hart.
“Behoorlijk zeker, ja” antwoordde het hoofd.

“Maar vraag je je wel eens af of ik wel blij ben met deze situatie?” vroeg het hart. “Je hebt mij nooit gevraagd of ik achter een schild wilde leven. Je hebt het daar gewoon geplaatst, op de dag dat jij besloot dat dat nodig was.”
“En vanaf die dag heb je geen hartenpijn meer gehad, toch?” reageerde het hoofd.

“Dat is wat jij denkt” zei het hart. “Maar dat is slechts gedeeltelijk waar. Het is waar dat mij sinds die dag geen pijn meer is aangedaan door mensen die zo dichtbij konden komen dat ze me pijn konden doen. Maar pijn heb ik wel, continu.

Want ik ben hier alleen achtergelaten, ben hier helemaal in mijn uppie en niemand, zelfs jij niet, verbindt zich nog met mij. Ik ben een hart, en liefde is mijn levensenergie. Ik ben op m’n best wanneer ik zowel liefde kan geven als ontvangen. Maar niets van dat alles gebeurt nog. Vanwege het schild. Het schild dat jij besloot voor me te plaatsen, zonder mij te vragen hoe ik dat vond. Ik weet dat je het geplaatst hebt vanuit de beste intenties, maar het schild doet me meer kwaad dan goed. Ik ben een hart! Ik moet liefhebben! Liefde voelen! Liefde geven! Liefde ontvangen!
Als ik dat niet kan doen, wat voor nut heeft het dan dat ik er überhaupt ben?”

Het hoofd was stil nu. Verward.
Het begreep dat het hart zojuist iets heel belangrijks had gezegd. Maar hoe moest het dan met de angsten? Hoe zat het met bescherming? Zonder het schild zou het hart zo vreselijk kwetsbaar zijn! Het zou gekwetst kunnen worden. Weer. En dat was altijd erg pijnlijk…

“Maar hart,” zei het hoofd ” zou je werkelijk liever zonder het schild willen leven? Wil je echt dat ik het schild wegneem, waardoor ik je blootstel aan zoveel gevaren, aan de mogelijkheid dat je weer gekwetst wordt?

“Ja” zei het hart. “Want ik ben niet gemaakt om achter een schild te leven. Dan kan ik net zo goed doodgaan. Achter een schild kan ik niets doen van alle dingen die ik te doen hebt. Ik kan niet ademen. Ik kan niet delen. Ik kan mijn energie niet laten stromen. Ik kan niet ZIJN wie ik ben, in feite. Ik begrijp je zorgen, maar begrijp alsjeblieft ook dit: achter het schild zal ik sterven, en dan zal mijn leven zinloos zijn geweest, want dan ben ik niet in staat geweest mijn energie aan de wereld te geven…
Ik heb het echt nodig dat je het schild wegneemt. Zodat ik kan LEVEN en ZIJN, volledig, helemaal.

Je zult verrast worden door de dingen die we zullen ervaren zonder schild. Er zijn zoveel GOEDE dingen beschikbaar voor ons, als we dat schild maar zouden weggooien! Vertrouw me! En help me, alsjeblieft… Help me door me te vertrouwen en door aan mijn zijde te staan…
Heb vertrouwen dat de kracht van mijn energie veel, veel sterker is dan de kracht van de angsten en zorgen die in jou leven.

En weet dat ik, zelfs als ik gekwetst word, altijd in staat zal zijn weer te helen. Vertrouw me. Ik kan het aan. Het is het leven. Als ik het leven niet aan zou kunnen, zou ik hier niet zijn…”

Marian Pelsgraaf van Justbeyou.nl

Verbinding hoofd en hart: hoe breng je je snappertje en je ...
Advertentie

Boeddhistische Wijsheid


Een monnik besloot alleen te mediteren, weg van zijn klooster. Hij nam zijn boot naar het midden van het meer, legde hem daar vast, sloot zijn ogen en begon te mediteren.

Na een paar uur ongestoorde stilte voelde hij plotseling de aanraking van een andere boot die tegen de zijne botste.
Met zijn ogen nog steeds gesloten, voelde hij zijn woede opkomen, en tegen de tijd dat hij zijn ogen opende, was hij klaar om te schreeuwen naar de bootman die zijn meditatie zo zorgeloos had verstoord.

Maar toen hij zijn ogen opende, was hij verrast om te ontdekken dat het een lege boot was die op zichzelf was geslagen. Het was waarschijnlijk losgeraakt en dreef naar het midden van het meer.

Op dat moment had de monnik een groot besef. Hij begreep dat de woede in hem was; het had alleen de aanraking van een extern object nodig om het uit hem te lokken.

Vanaf dat moment, wanneer hij iemand tegenkwam die hem irriteerde of tot woede uitlokte, herinnerde hij zichzelf eraan dat de andere persoon slechts een lege boot was, de woede zat in hem.

.undefined

Twee Handen


Twee handen….

Een oude vrouw komt bij de dokter en zegt: Ik heb één hand vol klachten.
Zal ik ze eens opnoemen?
Laat maar eens horen zei de dokter.

De eerste vinger zijn mijn verloren ouders.
De tweede zijn mijn lichamelijke klachten.
De derde vinger, dat ik zo weinig meer kan doen.
De vierde, dat ik me soms zo eenzaam voel.
De vijfde vinger, dat er om me heen zoveel bekenden weggevallen zijn.
Dat is inderdaad een hele hand vol, zegt de dokter.

Maar die andere hand dan? vraagt hij nieuwsgierig.
Dat zijn mijn zegeningen, wilt u die ook horen? vraagt ze.
Graag, zegt de arts.

De eerste vinger, dat ik elke dag voldoende te eten heb.
De tweede, dat mijn huisje in de winter lekker warm is.
De derde, dat er mensen om mij heen zijn die me helpen.
De vierde, dat ik de laatste tijd gespaard ben van nog meer ziekten en pijn.
De vijfde vinger, dat ik voldoende geld heb om mijn rekeningen te betalen.

De dokter kijkt naar beide handen. De vrouw kijkt hem aan en zegt: Hier zijn twee handen die verdriet hebben gedragen, tranen gedroogd en wel eens tot vuisten zijn gebald. Ook twee handen die weten wat leven is.

En weet u dat ik nu zo mooi vindt, wat er gebeurt als ik mijn handen vouw tot een gebed? Neen,” zegt de dokter.

Als ik bid, gebeurt er iets met mijn handen. Dan gaat mijn hand met de zegeningen naar mijn hand met het verdriet. Dan vouw ik de vingers in elkaar en dan komen de moeilijke dingen tussen de zegeningen in. En de zegeningen houden die narigheid in mijn leven tegen. Biddend breng ik mijn verdriet bij God. Daarna tel ik de zegeningen.

Weet je, ik ben dankbaar dat ik twee handen heb, ze houden elkaar in evenwicht. Ze houden mij in evenwicht en zo is mijn leven ook minder zwaar.

De dokter knikt instemmend, vouwt de vingers van de ene hand tussen de vingers van zijn andere hand en blijft verzonken in zijn eigen gedachten zitten.

Bron onbekend ❤️

Geen fotobeschrijving beschikbaar.

Het geheim van de leegte


Het geheim van de leegte
 
Tijdens zijn lessen sprak Lao-Tse ook vaak over het NIets. Op een dag vroeg één van zijn leerlingen aan hem: ‘Meester, ik weet niet waar u het over heeft – hoe kan alles nou bewustzijn zijn? Hoe kan alles uit het niets voortkomen – dat slaat nergens op.
 
Lao Tse wees naar een vijgenboom en zei tegen hem: ‘breng me eens een vijg’ – de leerling liep naar de boom en plukte een vijg en bracht die naar Lao Tse.
Lao-Tse zei: breek die vijg eens open
dat deed hij…..wat zie je…Zaden
Geef me eens één van die zaden
Hij gehoorzaamde
 
Daarna gaf Lao-Tse hem een mesje en zei: ‘Snij het zaadje open’ – dat ging nog niet zo gemakkelijk, want het zaadje was klein. Maar na een paar keer in zijn vingers te hebben gesneden lukt het hem uiteindelijk toch het zaadje open te snijden.
En Lao-Tse vroeg:…en, wat zie je nu?
Niets – binnenin het zaadje zit een holte, absolute nietsheid
En vulde Lao-Tse aan:
uit dat niets komt heel het universum voort.
foto van Fluisteralsjeblieft.

Zenweg


De Zenweg

De zenweg is een weg van loslaten, van leeg worden. Als zodanig is zen ten diepste verwant met het onaangeklede hart van elke religie.
Zen als stilzitten voor het mysterie: zonder woorden, zonder beelden.
Want uiteindelijk zijn geschriften en rituelen niets meer dan tijdelijke hulpmiddelen, bestemd om uiteindelijk ook losgelaten te worden.

Zazenkaï: een verhaal

“Maar wat ís zen?” vroeg de Amerikaanse filosofieprofessor, op studiebezoek bij een hedendaags Japans zenmeester. “Eerst even thee drinken,” zei die tot zijn ongeduldige bezoeker en begon alvast diens kopje in te schenken. Hij bleef maar schenken, ook toen het kapje al overstroomde. De bezoeker keek onthutst toe want uit verhalen was hem bekend dat die zen-mensen erg gedisciplineerde, nette lui waren die nog geen druppel water lichtvaardig zouden verspillen: “Ziet u,” zei de meester met allicht een fijn monkellachje, “met uw hoofd is het als met dit kopje. Het zit al helemaal vol. Met woorden, definities; met weten hoe de dingen horen en hoe ze zeker niet horen, met wat je wil en beslist niet wil. Met voorkeuren en afkeren, herinneringen, gestolde ervaringen. Als je wil weten wat zen is, moet je eerst je hoofd leegmaken. Pas dan zul je voor de eerste keer zien en weten.”
Zo is het een beetje met ons allemaal. We weten zoveel en dat is zo handig. Maar ook niet meer dan dat. Want ons vele weten, de immer voortmalende beeldenstorm in onze geest verhindert dat we zien, direct, zonder die constante, opdringerige ezelsbruggetjes van gedachten en gevoelens. De zen-weg is een weg van bevrijding. Bevrijding uit de kleine geest, bevrijding tot onze oorspronkelijke geest; tot het “gezicht dat het onze was nog vóór onze ouders geboren waren”. Bevrijding die niet alleen de eigen persoon tot inzet heeft, maar alle levende wezens liefdevol omvat

(tekst verschenen in De Harp)

De man die op de Boeddha spuugde


Inspirerend verhaal :

De man die op de Boeddha spuugde

Boeddha zat onder een boom te praten tot zijn leerlingen. Er kwam een man op hem af en spuugde de Boeddha zonder reden in zijn gezicht.
Boeddha veegde rustig zijn gezicht af en vroeg de man: “Wil je nog wat anders communiceren?”.
De man wist niet hoe hij hier op moest reageren, deze reactie had hij nooit verwacht.

De leerlingen van Boeddha waren zeer kwaad. Ze vertelden de man dat dit ontoelaatbaar was en zeker het spugen op de meester vervulde de leerlingen met kwaadheid.
De Boeddha zei echter: “Stil. Deze man heeft mij niet vernederd, maar ik nodig je wel uit goed naar je eigen gedrag te kijken. Deze man weet niet wie ik ben. Hij heeft een beeld over mij gevormd op basis van horen zeggen. Hij heeft niet op mij gespuugd, maar op het concept dat hij van mij heeft.

Hij spuugt niet op mij, maar op zijn eigen gedachten. Ik ben daar geen deel van. Ik kan alleen maar vaststellen dat die man nog wel meer wil zeggen dan dit”.
De man begreep er nu helemaal niets meer van en rende naar huis. Het hele gebeuren bleef door zijn geest spoken en zijn brein had geen enkel patroon waarin deze ervaring paste.

De volgende ochtend kwam hij terug en wierp zich aan Boeddha’s voeten. De Boeddha vroeg hem: “Wat wil je nog meer communiceren?” De man zei:”Heer, kunt u mij vergeven voor wat ik gisteren gedaan heb?” en de Boeddha zei: ”Ik kan je niet vergeven, want ik ben niet de man op wie je gisteren gespuugd hebt.
De rivier stroomt en is nooit hetzelfde.
Zo bestaat de man op wie je gespuugd hebt ook niet meer. Ik lijk alleen maar op die man van gisteren. Ik kan je niets vergeven want ik heb er niets mee te maken”.

En hij voegde er aan toe: “Ik kan ook zien dat jij niet dezelfde man bent als die van gisteren. Beide personen bestaan niet meer, dus laten we maar over iets anders praten”.

foto van Reina Zwaneveld.

Ali en de waterput


Ali en de waterput

Een wijze meester onderrichte zijn leerling Ali in de diepe geheimen van de wijsheid, en beval hem deze geheimen in zijn borst te bewaren en er nooit over te spreken, opdat de wijsheid niet misbruikt zou kunnen worden.
Ali hield de geheimen veertig dagen in zijn borst verborgen zoals een zwangere vrouw haar kind draagt. Maar toen kon hij ze niet meer terughouden, hij moest erover spreken, het werd hem te benauwd in de borst – maar spreken mocht hij niet.
In zijn nood liep hij de wildernis in en kwam bij een waterput. Hij boog voorover, duwde zijn hoofd onder water en riep zijn geheimen het water in. Toen voelde hij zich verlost en de benauwenis was verdwenen.
Na enkele dagen groeide naast de waterput een riet. Het groeide en groeide, en al heel gauw was het zo groot als een mens.
Een jonge schaapherder kwam bij de put om te drinken. Terwijl hij zijn dorst leste, werd ineens zijn hart verlicht. Zijn blik viel op het riet, hij sneed het af en maakte er een fluit van. Terwijl hij zijn schapen hoedde, speelde hij op de fluit. Mensen die voorbijtrokken hoorden zijn fluitspel en begonnen te huilen van ontroering en verrukking. Zelfs de schapen kwamen bij elkaar om naar zijn spel te luisteren.
De faam van de fluitspelende herder verspreidde zich in het gehele land.
Uiteindelijk hoorde ook de wijze meester van de schaapherder en zijn spel, en hij wenste de herder te zien. Deze werd bij hem gebracht en de meester verzocht hem op zijn fluit te spelen. Toen de herder speelde werden de harten van de leerlingen, die op dat moment bij de meester waren, verlicht, en de verrukking was zo intens dat iedereen zijn tranen de vrije loop liet.
En de meester zei met een geheimzinnige glimlach: “De melodie van de fluit vertelt van de geheimen die ik Ali eens heb toevertrouwd – hij heeft dus toch gesproken.”

Bron:

zinnigeverhalen.nl

Boeddhistisch verhaal: De vlam


De vlam in de nacht

Op een donkere avond zat de Boeddha samen met zijn monniken in de openlucht, met een brandende olielamp naast zich. Hij keek naar de lamp en zag hoe de insecten erop afkwamen, en zichzelf lieten opbranden door de vlam.
De Boeddha zei: ‘Deze insecten zien de vlam, maar ze begrijpen hem niet. Ze denken dat de vlam hun leven en geluk zal schenken, maar in werkelijkheid betekent de vlam dood en ellende voor hen. Op dezelfde manier zien de mensen schitterende vlammen: de schitterende vlam van de rijkdom, de schitterende vlam van de macht, de schitterende vlam van bekendheid en roem. Ze rennen ernaartoe, in de gedachte dat de vlam hun leven en geluk zal schenken – om te ontdekken dat ze er hun dood en ellende in vinden. Keer je dus weg van wat je rondom je ziet en hoort, en concentreer je op je eigen geest en ziel.’

Nieuwe kaarten op www.zinnigeverhalen.nl

Verhaal: Boedhha wijsheid


Er bestaat een oud verhaal over een man die de Boeddha opzocht, omdat hij gehoord had dat hij zo’n groot leraar was. Zoals iedereen had ook hij in zijn leven de nodige tegenslag gehad en droeg hij aardig wat problemen met zich mee. Hij dacht dat de Boeddha, een verlicht meester, misschien in staat was hem voorgoed van zijn problemen te verlossen. Hij vertelde de Boeddha dat hij boer was.

‘Ik hou van het boerenleven,’ zei hij, ‘maar soms regent het te weinig en dan mislukt de oogst. Vorig jaar werd dat bijna onze dood. Andere keren regent het juist weer te veel, wat ook heel slecht is voor de oogst.’

De Boeddha luisterde geduldig.

‘Ik ben getrouwd,’ zei de man. ‘Ik heb een prima vrouw. Ik hou echt van haar. Maar soms kan ze zo tegen me zeuren, soms word ik zo moe van haar, en dan loopt de spanning op en krijgen we ruzie.’

De Boeddha luisterde zonder een woord te zeggen.

‘Ik heb ook kinderen,’ zei de man. ‘Leuke kinderen, dat wel, maar vaak doen ze net alsof ik niet besta, en soms …’

Zo passeerden al zijn zorgen en problemen de revue. Tenslotte was hij uitgepraat. Vol spanning wachtte hij op de woorden van de Boeddha die aan al zijn problemen een einde moesten maken.

Toen zei de Boeddha: ‘Ik kan je niet helpen.’
‘Hoe bedoelt u dat?’ vroeg de man verbaasd.

Iedereen heeft problemen,’ antwoordde de Boeddha. ‘We hebben allemaal drieëntachtig problemen. Drieëntachtig problemen waaraan we niets kunnen doen. Als je echt je best doet kun je er misschien één oplossen, maar zodra dat probleem verdwenen is, komt er direct weer een ander voor in de plaats. Alle mensen van wie je houdt zullen bijvoorbeeld op een gegeven moment uit je leven verdwijnen, en ook jij zult op een gegeven moment doodgaan. Dit is een probleem, en jij noch wie dan ook kan daaraan iets doen, dus ik ook niet.’

De man werd woedend. ‘En ik dacht nog wel dat u zo’n groot leraar was!’ schreeuwde hij. ‘Ik dacht dat u me wel zou kunnen helpen! Wat heb je aan zo’n leer? Niets, helemaal niets!’

De Boeddha antwoordde rustig: ‘Misschien is die wel goed voor het oplossen van het vierentachtigste probleem.’

‘Het vierentachtigste probleem?’ vroeg de man verbaasd. ‘Wat is het vierentachtigste probleem?’

De Boeddha antwoordde: ‘Dat je helemaal geen problemen wilt hebben.’

De olifant en de blinden


Wiens perspectief is waar ?

Verhaal van de blinden en de olifant
In een klein dorpje woonden zes blinde mannen. Op een dag kwam er een
olifantentemmer langs. De blinden wisten niet wat een olifant was en hadden zelfs nog
nooit van een olifant gehoord. Ze zouden voor het eerst van hun leven kennismaken
met een olifant.
De eerste blinde kwam bij de olifant en voelde aan de staart van de olifant: lang, harig
en het stinkt. Hij zei: “Die olifant is een vieze borstel”. De tweede blinde maakte
kennis met de slurf. Hij kwam langzaam op de olifant af en de olifant voelde
voorzichtig met zijn slurf aan zijn arm en been. Hij pakt hem vast en riep: “Het is een
slang!”. “Hou toch op”, zei de derde die de slagtand beetpakte. “Het is een speer.” De
vierde struikelde en viel met zijn hoofd tegen de harde huid: “Auw, het lijkt mij een
muur”. De vijfde voelde de poot en zei: “Hij doet mij vooral denken aan een boom”. De
zesde blinde streek met zijn handen over een oor van de olifant en zei: “Ik vind dat
zo’n olifant lijkt op een tapijt”.
De blinden spraken er nog lang over wat een olifant nou eigenlijk was. Soms maakten
ze er zelfs een beetje ruzie om. Aan het einde zeiden ze: “We hebben allemaal vast
een beetje gelijk, maar we hebben geen idee wat een olifant nou is. Want geen van
ons kan de hele olifant zien, maar we hebben met z’n allen aan de olifant gevoeld en we zullen allemaal gelijk hebben. Als we samenwerken, komen we waarschijnlijk nog het dichtstbij de echte beschrijving”.