Wat en waar is het werkelijke Zelf?


V#89: Wat en waar is het werkelijke Zelf?

De Cursus zegt dat we niet ons lichaam zijn. Het Christus-Zelf is in ons en wij zijn niet in een lichaam. Het werkelijke Zelf, de Christus, is in Heiligheid. Waar zijn we dan? Alles is van binnen maar niet binnen in het lichaam, waar dan wel? Is het op de plaats waar ik was voordat ik een lichaam werd? Waar was ik voordat ik de vorm van een lichaam aannam? Zijn de Christus en mijn werkelijke Zelf daar? Als individueel bewustzijn daar niet bestaat, hoe weet iemand dan dat hij daar is? Of is ‘niet weten’ werkelijke kennis.

A: We zijn duidelijk in het nadeel als we deze vragen, die iedereen stelt, proberen te beantwoorden. De reden is dat we niet beschikken over een manier om ons een beeld te vormen van iets wat geen fysieke (meetbare) dimensies heeft. Evenmin kunnen we zoiets begrijpen. En dit is nu juist het geval bij het Christus-Zelf. Het heeft geen fysieke dimensies: het is volledig buiten tijd en ruimte. Het ‘waar’ is dus niet van toepassing want ‘waar’ duidt altijd op ruimte, net als de woorden binnen en buiten. We hebben geen begrippen, noch een taal die de niet-fysieke werkelijkheid kan omvatten. En om nog een stap verder te gaan: we proberen een domein van de werkelijkheid te begrijpen dat we verkozen hebben uit ons bewustzijn te bannen, en/of waarvan we de ware betekenis helemaal hebben veranderd. Bovendien werd het lichaam (d.w.z. het brein) speciaal gemaakt om niet te begrijpen (T18.IX.4, 5). Dus zijn we werkelijk ernstig ‘gehandicapt’ wanneer we deze problemen proberen aan te pakken, en toch zijn ze voor ons van vitaal belang.

We kunnen inderdaad zeggen dat het Christus-Zelf nergens is. Dat is ‘waar’ we waren voordat we de vorm van een lichaam aannamen. We zullen dat zonder moeite herkennen wanneer we er terugkeren, omdat het geen plaats is, die we bovendien nooit verlaten hebben. Zo, nu je nog meer in verwarring bent gebracht, zullen we eens kijken hoe we dit een beetje kunnen ontwarren.

Er wordt ons gezegd: “Zonder lichaam zijn betekent in onze natuurlijke staat zijn” (WdI.72.9:3), maar ook dat “wat jij gedaan hebt om je denkgeest te schaden hem zo onnatuurlijk [heeft] gemaakt dat hij zich niet herinnert wat natuurlijk voor hem is. En wanneer jou gezegd wordt wat natuurlijk is, kun je het niet begrijpen” (T16.II.3:1-2).

Daarom bevinden we ons in zo’n hachelijke situatie. We hebben onze denkgeest geschaad door te ontkennen dat we een denkgeest hebben en in plaats daarvan te denken dat we een lichaam zijn. Hoewel we ons niet bewust zijn van deze keuze, doen we dat nog steeds, zodat we de afscheiding in stand kunnen houden. Dus denken we dat het fysieke bestaan werkelijk is, en dat ons ware Zelf een onbekende en verre werkelijkheid is. Wanneer we niet langer de behoefte voelen om onze ware Identiteit als geest, als Christus, te ontkennen, zullen we eenvoudigweg zijn wat we altijd al geweest zijn. We zijn nooit werkelijk een lichaam ‘geworden’. We blijven een denkgeest die beslissingen neemt en gewoon fantaseert of hallucineert dat we iets anders zijn dan ons Christus-Zelf. Als gevolg daarvan is het geen probleem om in te zien ‘waar’ we zijn, wanneer we niet langer ‘in’ een lichaam zijn, omdat we sowieso nooit ‘in’ een lichaam zijn. De denkgeest kiest er gewoon voor om te denken dat hij een lichaam is. Ons lichaam is niets meer dan een idee in de denkgeest en aangezien ‘ideeën hun bron niet verlaten’ heeft het geen werkelijkheid buiten de denkgeest die het denkt. Daarom concentreert Jezus zich zo op de noodzaak om samen met hem naar onze denkgeest te kijken, zodat we ons bewust worden van dit denksysteem, dat wij gekozen hebben voor het bepalen van al ons denken en waarnemen.

Het volgende citaat geeft aardig uitdrukking aan sommige van deze punten: “De reis naar God is slechts het herontwaken van de kennis van wáár jij bent voor altijd, en wát jij bent voor eeuwig. Het is een reis zonder afstand naar een doel dat nooit veranderd is. De waarheid kan alleen worden ervaren. Ze kan niet worden beschreven en niet worden uitgelegd. Ik kan jou bewust maken van de condities die tot de waarheid leiden, maar de ervaring komt van God. Samen kunnen we aan haar condities voldoen, maar de waarheid zal uit zichzelf in jou dagen” (T8.VI.9:6-11).

De condities waar Jezus over spreekt hebben natuurlijk betrekking op vergeving. Daarom is dit het kernthema van zijn onderricht. Een belangrijk gevolg van het toepassen van vergeving is dat onze vereenzelviging met het lichaam automatisch begint te verzwakken. In plaats daarvan nemen we vaker onze eenheid met elkaar waar, voorbij het lichaam. Dus als we onszelf en anderen blijven vergeven, laten we geleidelijk weer in ons bewustzijn toe dat wat we ontkennen door te denken dat we individuen zijn die in een fysieke wereld leven met afzonderlijke en concurrerende belangen en doelen. Naarmate we de ladder weer opklimmen waarlangs de afscheiding ons omlaag heeft gevoerd (T28.III.1:2), verschuift onze identiteit langzaam en beginnen de vragen die je stelt te vervagen, waarna ze uiteindelijk verdwijnen. Want deze vragen komen voort vanuit het gezichtspunt van een lichamelijk, persoonlijk bestaan en dat perspectief is nu verschoven.

Tekst: Een Cursus In Wonderen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s